Cécile Massou – Lauréate 2026
Cécile Massou kiest ervoor om hier twee werken te presenteren: Feu de l’enfer (hellevuur) en Écho. Twee functionele voorwerpen, respectievelijk een oven en klokken, die hier veranderen in vertrouwde monsters. Haar universum is doordrongen van de queer-cultuur. Door zich de monsters en duivelse figuren uit de middeleeuwen toe te eigenen, geeft Cécile Massou het monsterlijke zijn begeerlijke karakter terug, het groteske zijn flamboyante karakter en het walgelijke zijn pracht terug. Door middel van deze fantasiefiguren viert de kunstenaar het vreemde.
Feu de l’enfer komt voort uit de wens om alledaagse voorwerpen hun ceremoniële dimensie terug te geven. Op het moment waarop de bakplaat het houtvuur heeft vervangen, nodigt Feu de l’enfer uit om de symbolische en spirituele kracht van het vuur, zijn magie te eren. Het aansteken en het gebruik ervan veranderen de tuin in levendige, animistische gemeenschapsfeesten. Cécile Massou kiest er hiervoor om Feu de l’enfer voor te stellen met zijn assen en zijn door rook zwartgeblakerde tanden als herinnering aan de vlammen.
Écho is een herinnering aan een bezoek aan het Louvre, een reactie van de kunstenares op de Etruskische idool-klok, een antiek object achter glas dat we nooit zullen horen luiden. Als een chimaera-achtig wezen ontsnapt uit een klokkentoren is Écho het resultaat van een samensmelting van waterspuwers, draken en amfibieën met obscene tongen.
Barbara Léon Leclercq
La tisseuse – De weefster
De weefster is een hoedster.
Hoog op haar sokkel, vanop een afstand, heeft ze de morfologie van een grote spin.
Ze ligt op de loer, alsof ze op het punt staat toe te slaan, dreigend.
Maar als je van dichterbij kijkt, zie je lange hondenpoten, een meer beschermende en vertrouwde figuur.
De lijnen vormen een visueel continuüm dat door het hele werk van de artieste loopt en zich uitbreidt telkens wanneer er nieuwe vormen ontstaan. Door lijnen te trekken van de vloer naar het plafond ontstaat een uitputtende achtervolging: eten of gegeten worden.
We kunnen ze zien als complexe, tegenstrijdige verhaallijnen die alternatieve versies van hetzelfde scenario ontvouwen. Deze onstuimige beweging is achtereenvolgens in de ruimte waarneembaar: de waarneming van een sterk uitgerekt, verscheurd dierenkarkas, vervolgens de details van de vreemde architectuur die de ingewanden vormen, en daarna het wezen dat het heeft verslonden. Verderop ten slotte hetzelfde lichaam, intact, opnieuw samengesteld, op een andere manier, en een paar silhouetten verderop opnieuw verslonden. Al deze episodes worden beschouwd als een voorbeeld van associatie van ideeën.
Van een afstand is het silhouet van een bewaker te zien, met gekruiste armen en half uitgespreide vleugels. Het is een sfinx, een hersenschim. Ze lijkt te wachten, haar lichaam is gespannen en uitgestrekt, alsof ze klaarstaat om toe te slaan als dat nodig is. Maar als je eromheen loopt, ontdek je een kwetsbaar wezen, dat zich in zichzelf heeft teruggetrokken.
De breuk vindt plaats in de draaiing: terwijl men aan de ene kant spanning voelt, trekt het wezen zich aan de andere kant in zichzelf terug en verschuilt zich achter de vleugel die het omhult. Het is een beetje alsof het doet alsof het slaapt.
Houdt ze de slaap tegen? Of doet ze alsof?
De slapende Sfinx is een bewaker: beschermend, maar tegelijkertijd dreigend. Dat alles tegelijk. De Sfinx zal vandaag haar vraag niet stellen.
Ze staat op haar plaats, maar ze verzet zich.
Luna-Isola Bersannetti
Deze drie werken maken deel uit van de serie Reptiliennes, die kan worden gezien als een levendige herinterpretatie van mythen. Door legendarische vrouwelijke figuren die lang gedemoniseerd werden opnieuw te bekijken—zoals sirenen, slangachtige wezens en vervloekte feeën—probeert de artieste ze te transformeren tot veerkrachtige en krachtige verschijningen. De ‘huiden’, die zowel als fragiele pantsers als sonore omhulsels zijn bedacht, belichamen opeenvolgende metamorfoses: mutatie, ontmoeting, emancipatie en heropbouw. Als dragers van mythologische herinneringen maken ze de weg vrij voor een constellatie van alternatieve, meervoudige en inclusieve verhalen.
Elke nieuwe huid draagt de sporen, de echo’s en soms de breuken in zich, als lagen die samen een verhaal in wording vormen. Net als in een mythologie die nog geschreven wordt, verbinden deze figuren zich met elkaar naarmate ze verschijnen, en vormen zo een constellatie van unieke maar onderling afhankelijke hoofdrolspelers.
Elk draagt zijn eigen betekenis, zijn eigen tijdelijkheid en energie, terwijl ze deel uitmaken van een gemeenschappelijke beweging van emancipatie en nieuwe vormen van identificatie mogelijk maken. De overgang van de ene huid naar de andere lijkt op een vervellingsritueel. Deze metamorfose, waarbij elke fase van het bestaan een loslaten en een transformatie inhoudt, wekt het proces op waardoor het mogelijk wordt om oude beperkingen los te laten en een nieuwe manier van in de wereld zijn te omarmen.
La Dualité belichaamt de ontmoeting. In een liminale ruimte, die troebele en moerassige wateren oproept, doemt een betoverende aanwezigheid op die herinnert aan de Heliaden, nimfen van vochtige gebieden en ambivalente figuren van verleiding en transformatie. Twee lichamen staan tegenover elkaar. Hun blikken kruisen elkaar en brengen een stille, diepe en intieme communicatie tot stand. Het gaat hier niet om een tegenstelling of een overheersing, maar om een wederzijdse erkenning. Deze lichamen, verre van vreemd voor elkaar, laten hun eigenheid samensmelten in een gedeelde beweging. De ontmoeting wordt zo de plaats waar een verbond ontstaat, een spiegeldans waarin de identiteiten zich in de interactie opnieuw vormen.
La Naissance d’Aphrodite draagt een gebaar van emancipatie in zich. Net als de godin die uit het schuim oprijst, komen deze lichamen tevoorschijn uit een toestand van beperking of onzichtbaarheid om een nieuwe vorm van vrijheid te bereiken. De vleugels ontvouwen zich, de blik richt zich naar de hemel. Het lichaam opent zich voor de ruimte, strekt de armen uit naar wat het overstijgt. Deze verheffing verwijst niet naar een idealisering van het vrouwelijke, maar naar een bevestiging van kracht en bestaansdrang, bevrijd van normatieve kaders.
Met Larme des coquillages wint de figuur aan densiteit en verankering. De beweging verstilt, het lichaam zoekt niet langer de impuls maar het evenwicht. De volumes zijn vol, zelfzeker en mineraal. De schelp verbindt, met haar glans en parelmoerachtige materie, het lichaam met het water, met de herinnering aan de zee, maar ook met de maan, haar cycli en haar onzichtbare getijden. Deze figuur bevindt zich niet langer in een fase van ontluiking of onmiddellijke metamorfose, maar in een staat van volmaaktheid. Larme des coquillages belichaamt een soevereine maturiteit, een aanwezigheid die zich zonder spanning ontvouwt, doordrongen van de langdurige tijd en de herinnering aan de elementen.